Het waait windkracht 6 en af en toe miezert het wat. Het is ondertussen lekker warm, zo’n 20 graden. Ik zit op de rotsen aan het uiteinde van het eiland en kijk uit over de zee en wat rotseilanden. De harde wind en de golven deren het rotseiland niet, het staat daar onverstoorbaar. Op het eiland groeit wat gras, enkele palmen en op de top zelfs wat riet.
Verderop in de zee is de branding boven een rif. De nieuwe golven botsen op het uitstromende water. Even is de golf fel blauw voor het overgaat in een witte stroom met koppen. De wind neemt het opspattende water nog een stuk mee. Een mooi gezicht.
Ik denk dat dit mijn favoriete strandweer is- voor als ik alleen op het strand ben. Het draagt bij aan mijn gevoel van eenzaamheid, van het op mezelf zijn.
De eerste keer dat ik op een strandje tussen de rotsen terecht kom is met Boaz. Tijdens een wandeling met z’n vieren zien we een pad langs de kust lopen. We kunnen het begin van het pad niet vinden. Met Boaz op mijn nek loop ik door wat struiken en dwars door een rietveld om op het pad te komen. Matthijs heeft slippers aan en besluit terug te lopen. Zolang hij maar veilig op mijn nek zit vindt Boaz het allemaal prima en zit luidkeels liedjes van de Sound of Music te zingen. Do re mi. Wij vervolgen het pad wat uiteindelijk langs een scheepstouw vrij stijl naar beneden loop en vinden het ‘juttersstrand’.
Het juttersstrand is een strand vol met petflessen, scheepsboeien, gloeilampen, slippers, piepschuim en hout. Ik neem mooie schelpen en kleine stukjes aangespoeld koraal mee.
De volgende dag ga ik terug met Amélie. Ondanks dat het winter is, is het een warme zonnige dag (25°C) en we zoeken een stuk strand voorbij wat rotsen uit. Alles wat aangespoeld is ligt in een lijn tegen de rotsen aan, de rest van het strand is zand met rotsen tussendoor. Het is fijn ons privéstrand. Amélie trekt dan ook al snel alles uit en gaat heerlijk zitten poedelen. Zij mag zeggen wat we spelen en ik word aan de rand van het water ingegraven.
Na enkele stralende dagen is het een dag bewolkt. Ik neem een ander pad wat vrij stijl de rotsen afloopt. Bij een grote rots hangt een oude ladder aan twee touwen over de rots. Daaronder vervolgt het pad zich door wat dichte struiken en palmen en komt uit op de rotsen. Alleen bij de vloedlijn kan ik nog wat zand ontdekken. De rest van het strand is geheel bedolven onder stukken koraal. Het nieuw aangespoelde koraal is beige wit en zacht poreus. Naarmate het ouder wordt, raakt het steeds meer versteend. Achterop het strand is de stapel koraal meters hoog en bedekt met een groengrijzige laag schimmel.
Ik loop over het koraal en hurk neer. Overal om me heen liggen de mooiste schelpen. Ik krijg een beeld van een droom van vroeger- dat ik geld vind, grote munten, guldens en rijksdaalders. Zomaar voor het oprapen. Ik denk nog “ik droom toch niet hè?” en kijk naar de zee en de rotseilanden. Nee, ik denk het niet. Ik kijk naar de schelpen en maak snel een afweging waar mijn hand zich het eerst heen zal strekken, haast bang om dan een andere te missen, zoveel liggen er.
Met mijn zakken vol met schelpen keer ik terug. Matthijs moet lachen als hij me glunderend en stralend aan ziet komen. “Als een kind in een snoepwinkel” zegt hij.
De laatste dag voor we huiswaarts gaan, wil ik als de kinderen slapen nog eenmaal een ander strand proberen. Mijn middagen op de strandjes zijn verslavend. Of de zon nu schijnt of dat het waait en miezert, ik ervaar hier op de rotsen stilte, ruimte en rust. De onverstoorbaarheid van de rotsen, de zee, het gras op de top, en de schelpen op de stranden en rotsen.
Ook deze keer heb ik geluk. Deze keer vind ik het strand van de grote schelpen. Het is bijzonder te zien hoe de zee met haar stroming op ieder strand andere dingen aanspoelt; afval, koraal en grote schelpen.
Ik loop een soort grot binnen die tegen een rotswand ligt. Mijn mond valt letterlijk open. Er ligt een ENORME schelp. Ik kan hem zo oppakken, hoef hem niet eens uit te graven. Hoewel, zo oppakken, de schelp is niet alleen groot maar ook erg zwaar, 12 kilo. Heel bijzonder. Ik leg hem bij de ingang van het pad omhoog neer om later mee te nemen. Ook de rest van het strand ligt vol met grote schelpen, zoveel dat ik ze echt niet allemaal mee kan slepen.
In een andere holte onder de rotsen zie ik nog een prachtige schelp liggen. Het kost me moeite de oude, als slak gedraaide schelp te bereiken. Wanneer ik hem oppak zie ik aan de onderkant een grote paarsachtige klauw. Dit schelpdier leeft nog en ik leg hem weer terug. Ik heb al vele schelpdieren bekeken. Wanneer je over de rotsen loopt hoor je vaak het tikkende geluid van de schelpdieren die zich loslaten en over de rotsen rollen, maar ik heb nog niet eerder zo’n grote gezien.
Nat van de regen, zwetend en met kramp in mijn armen kom ik uiteindelijk bij ons hotel aan. De volgende dag vliegen we terug naar Tokyo. Een bijzondere stad, maar ons verblijf op Ishigaki heeft me doen beseffen dat er een paar dingen zijn die er schaars zijn. Stilte, licht en ruimte zul je er vooral in jezelf moeten zoeken en vinden.
wow wat mooi! corina
Na Parijs en Tokyo nu Istanbul. Bijzonder te mogen kennismaken met de stad met een eeuwenoude geschiedenis en cultuur, haar inwoners en een nieuw geloof.
Griekenland - Gert werkte zich van klusje naar klusje, maand na maand. Hij had zijn...
Griekenland - Op een grijze herfstdag reed Gert me naar het stuk land van de Vlaamse...
Lek - Zondag, zomer en met vrienden mee op het water. In een...
Noordkaap - Vrijdag 16 juli / zaterdag 17 juli. Na een lange voorbereiding zijn...
Rusland - Welke ontmoeting in de trein was zo speciaal dat je die nooit meer zal...
Duitsland - Sta je niet graag op de latten en trek je liever wandelschoenen aan,...
Bali - Waar kun je het beste naar toe als je Kerst wilt ontvluchten? Waar...
Iran - Hoe reis je als vrouw alleen het beste rond in minder...