Ruim tweeduizend zoutvaatjes telt het Zoutmuseum Delden. De collectie is uitgestald op de begane grond en past naadloos in het televisieprogramma Tussen kunst en kitsch. Het museum is gevestigd in een van de talrijke monumentale panden van Delden. De bezoeker wordt bij binnenkomst met zijn neus op de vitrines met de zoutvaatjes gedrukt, want kassa en verzameling lopen vrijwel in elkaar over.
Er zitten prachtexemplaren bij. Een aanzienlijk deel van de zoutvaatjes getuigt echter van een smakeloosheid die van de weeromstuit grappig aandoet, zodat de bezoeker vrolijk aan de permanente expositie op de eerste verdieping begint.
Delden, het aanpalende landgoed Twickel, zout en drinkwater hebben veel met elkaar gemeen. Over het grondgebied van Twickel - met vierduizend hectare nog altijd on-Nederlands groot - liep een van de weinige wegen tussen Duitsland en het westen van Nederland. Op initiatief van graaf Carel George van Wassenaer-Obdam, heer van Twickel, werd tussen 1771 en 1774 de Twickelse vaart gegraven die Delden via het Reggestelsel met de IJssel verbond, wat het transport van ganzen en hout versnelde.
Vroeger eindigde de vaart in de - inmiddels gedempte - haven ten oosten van Delden. Op deze plek bevindt zich Restaurant & Hotel Carelshaven, dat als voormalige schippersherberg een roerige geschiedenis kent en zijn ontstaan aan diezelfde Carel George heeft te danken. In 1879 logeerde er de dominee-dichter François Haverschmidt (Piet Paaltjens).
Het verleden bepaalt het huidige aanzien - en de toeristische betekenis - van Stad (sinds 1333) Delden en Twickel. De geschiedenis legt ook het verband tussen zout en drinkwater, zoals de basistentoonstelling van het Zoutmuseum aantoont. Drie jaar na de dood van zijn broer, die in Italië tyfus opliep na het drinken van besmet drinkwater, liet baron Rodolphe Frederic van Heeckeren van Wassenaer, de laatste heer van Twickel, op zijn terrein naar water boren. Het Duitse bedrijf dat de opdracht kreeg, bereikte een voor Nederland ongekende diepte van vijfhonderd meter, maar haalde in plaats van helder bronwater een naar zout smakende substantie naar boven, wat tot de ontdekking van zoutlagen in de Twentse bodem en het ontstaan van een zoutindustrie zou leiden.
Om toch aan drinkwater te komen liet de baron een leiding naar Almelo aanleggen, vanwaar met stoomkracht water werd gepompt naar de in de neo-renaissancestijl opgetrokken toren die hij in 1893 op de grens van zijn landgoed en Stad Delden had laten bouwen. Wie vanuit Borne in Delden arriveert, kan niet om dat schitterende gebouw heen. Het vat van een van de mooiste watertorens van Nederland wordt geschraagd door acht consoles met afbeeldingen van onder anderen twee neefjes van de baron.
In 1894 werd de waterleiding doorgetrokken naar pompen (zeg nooit dorpspomp) voor de Deldenaren en daar was de stedelijke burgerij de baron maar wat dankbaar voor. Of zij dat ook zou zijn geweest als hij op zijn landgoed een saline, zoutfabriek naar Duits model, had laten neerzetten, blijft een onbeantwoorde vraag.
'De baron heeft het wel overwogen', zegt D. de Groot, die als scheikundige voor de uit de Koninklijke Nederlandse Zoutindustrie voortgekomen Akzo heeft gewerkt. Hij is met oud-leraar J. Roerink een van de 45 vrijwilligers die het Zoutmuseum draaiende houden. 'Officieel heet het dat de baron zijn pas gerestaureerde kasteelpark niet wilde beschadigen', vervolgt De Groot, 'maar de hoge belasting op zout en niet te vergeten de smokkel van dit kostbare product was de werkelijke reden dat hij van zijn voornemen heeft afgezien. Het loonde niet.'
Enthousiast verhaalt De Groot over de geschiedenis van het zout, terwijl Roerink op een minder bekend historisch aspect van Delden wijst: de rol van het stadje als pleisterplaats op de Töddenroute waarover marskramers van Osnabrück naar Deventer trokken. Carelshaven fungeerde als opslagplaats voor hun spullen.
Op weg naar de Hanzestad aan de IJssel passeerden de Tödden op het landgoed Twickel de Noordmolen waar nog regelmatig olie uit lijnzaad wordt geslagen. Daarover kan amateurmolenaar Roerink ook gepassioneerd vertellen.
Nederland is volgens De Groot tot 1515 een zoutexporterend land geweest. In dat jaar verbood Karel V de winning van zout uit turf volgens de darinc-methode. Het veen in de kuststreken was door langdurige inwerking van het zeewater geïmpregneerd met zout. De turf werd gedroogd en verbrand. De zel-as die overbleef werd vermengd met zeewater waarna de zel in platte ijzeren pannen op het vuur werd gezet zodat het water verdampte en zout resteerde. Deze vorm van zoutwinning leidde tot een sterke daling van de bodem en bijgevolg tot overstromingen.
De vroegste zoutwinning, oude en moderne productiemethoden die met maquettes, foto's en tekeningen in beeld worden gebracht, de gevolgen voor het milieu, zout als grondstof voor een verscheidenheid aan producten, de rol van het zout in allerlei culturen, zout als betaalmiddel, het Zoutmuseum slaat geen enkel aspect over. De wisselexpositie gaat over de handel in zout en als zout-expert verlaat de bezoeker het museum.
Het Zoutmuseum, voormalig raadhuis, kantongerecht en politiebureau, kijkt uit op een monumentale pomp met huldeblijk van de dankbare burgers, een kerk uit de twaalfde eeuw die oorspronkelijk was gewijd aan de heilige Blasius, en Posthuis In de kroon, dat volgens een gedenksteen voor de ingang 'eeuwenlang de halteplaats was voor de postkoets op de route Naarden-Hamburg'.
Schuin tegenover het Zoutmuseum bevindt zich in een deels intact gelaten, oude kruidenierszaak de VVV en daar moet de automobilist, fietser of wandelaar zijn voor een tocht langs industriële monumenten, die in dit jaargetijde iets weg kan hebben van een zoutarm dieet, maar deze zaterdag op smaak is gebracht door een flink pak sneeuw.
In Boekelo werd na de Eerste Wereldoorlog de eerste zoutfabriek gebouwd en verrichtte de KNZ de eerste boring, vlakbij de kruising van de Badweg en de N18 tussen Haaksbergen en Usselo. In het coulissenlandschap tussen Boekelo, Enschede en Hengelo vallen door de houtwallen de tientallen zouthuisjes nauwelijks op. De 'hondenhokken', een afdakje boven een put die door een verrijdbare boorinstallatie is geslagen, zijn de opvolgers van de dure, houten boortorens die tot 1963 dienst hebben gedaan en waarvan er nog enkele een nostalgisch bestaan leiden.
Op de Boortorenweg, Boekeloseweg en vooral Rougoorweg met uitzicht op Akzo Nobel aan het Twentekanaal en een prachtig recreatiegebied, komen natuurliefhebbers en bewonderaars van industrieel erfgoed aan hun trekken. Op de hoek van de Rougoorweg en Mensinkweg fungeert een door videocamera's beveiligde boortoren als 'lunchpaviljoen'. Het oude logo van de KNZ staat naast de deur: een rode cirkel met een witte boortoren.
Dit industriële monument staat tenminste nog op de plaats waar het thuishoort. Het Hengelose winkelcentrum, waar een horeca-ondernemer zo'n opmerkelijk onderdeel van de zouterfenis als Café De Boortoren bestiert, voldoet niet aan dat criterium. Industriële kunst is hier vervallen tot kitsch.
Er zijn nog geen reacties op deze bijdrage.
Griekenland - Gert werkte zich van klusje naar klusje, maand na maand. Hij had zijn...
Griekenland - Op een grijze herfstdag reed Gert me naar het stuk land van de Vlaamse...
Lek - Zondag, zomer en met vrienden mee op het water. In een...
Noordkaap - Vrijdag 16 juli / zaterdag 17 juli. Na een lange voorbereiding zijn...
Rusland - Welke ontmoeting in de trein was zo speciaal dat je die nooit meer zal...
Duitsland - Sta je niet graag op de latten en trek je liever wandelschoenen aan,...
Bali - Waar kun je het beste naar toe als je Kerst wilt ontvluchten? Waar...
Iran - Hoe reis je als vrouw alleen het beste rond in minder...