Paradijs op half uur van hel

door ineke_holtwijk op donderdag 28 juni 2007

Venezuela, Cuba op zaterdag 4 januari 2003

Bron: redactie
water zee Eilanden landschap Los Roques koraalriffen

 

De nacht ligt nog als een donkere deken over het land wanneer ik mij op donderdagochtend om kwart over vijf op de luchthaven van Caracas meld. Los Roques, de rotsen, heet mijn reisbestemming. Het zijn vijftig eilandjes en nog veel meer zandbanken en koraalriffen vlak voor de kust. Alle kreeften die in Caracas worden genuttigd, komen er vandaan.


Het paradijs op een half uur vliegen van de hel die Caracas is. Bestaat het? De reisgids zegt van wel en belooft 'een ervaring à la Robinson Crusoë'. Water zal mijn grootste probleem zijn, drukt de auteur, Venezuela-kenner Hilary Dunsterville, haar lezers op het hart. Behalve meerdere jerrycans drinkwater vindt Hilary ook dat de bezoekers een plastic zeil en voedsel voor noodgevallen dienen mee te nemen.


Ik heb op eigen gezag Hilary's geboden in de wind geslagen en blijk op deze donderdagochtend niet de enige te zijn. Ik ben zelfs overdressed en overpacked in vergelijking met de medepassagiers. Die zijn in meerderheid aangetreden op slippers, in bermuda met slechts een handdoek als bagage.


Maar ik moet Hilary Dunsterville nageven: het Robinson Crusoëgevoel komt snel opzetten. Daar hangen wij in onze Dash-7, een ronkend, dertig jaar oud propellervliegtuig, waarin ieder gesprek onmogelijk is. Onder de voorste stoelen ligt een opblaasbare reddingsboot en de stewardess oogt als padvinder met haar korte broek en witte sokken in stevige wandelschoenen.


De zonsopgang kleurt de cabine onwezenlijk oranje en beneden ons ontrolt zich een verbluffend landschap. Wanneer we verder van de kust geraken krijgt de marineblauwe zee bijna fluorescerend azuurblauwe stukken en daarin liggen als donkere vlekken van een Rohrschachtest koraalriffen. Het water is zo helder dat het lijkt alsof je vanaf duizend voet de bodem ziet. Wanneer we ons doel naderen, duiken stralend witte, maar lege eilandjes op. De meeste zijn nauwelijks meer dan drooggevallen zandbanken met wat groen.


Op een landingsbaan met gaten komt de Dash brullend tot stilstand, vlakbij een buitenmaats, antiek blusapparaat op een trekkarretje. De luchthaven bestaat verder uit een afdakje van boomstammetjes met de tekst Salida/Exit en een slagboom.


Een militair in camouflagedracht salueert voor drie meegereisde officieren, veruit de meest geklede mannen op onze vlucht. De vier hijsen zich in een elektrisch karretje en snorren richting dorp. De reizigers met handdoeken worden door een gids opgevangen en meegevoerd naar een boot die tien meter verderop ligt. Zij zijn vast de klanten van de dagtoer met verse vis voor lunch en verzekering waarvan Hilary melding maakt.


Gran Roque (Grote Rots), zoals dit eiland heet, ligt klaar om ontdekt te worden om kwart voor zeven 's ochtends. Een zeebries blaast zoutvlokken over de zandweg. Er krijst een meeuw. De pelikanen vieren feest. Ze laten zich als bommen op het water vallen, prikken met hun snavel een visje uit de golven en schieten triomfantelijk met een boog de lucht weer in. Verder is het heel stil.


Ongeveer een uur na aankomst ben ik definitief verkocht voor Los Roques. Het dorp slaapt dan nog steeds. De luiken van de veelkleurige huisjes blijven dicht. Op de zandpaden die hier de straten zijn, hebben zich slechts twee Britse vissers vertoond, druipend van de zonnebrandcrème. En een man die de straten aanharkt.


Dan verschijnt een jeugdige marinier in hetzelfde botsautootje waarmee eerder de officieren werden afgehaald. Hij is in vlekkeloos wit en stopt bij het keetje van gejut hout waar ik een flesje sap nuttig. De marinier komt de pikante saus lenen voor het ontbijt van de gasten uit Caracas. De straatbar is het enige etablissement dat open is. Met het flesje tussen de pedalen snort hij weg. Soms is het leven van een weldadige eenvoud.


Gran Roque heeft twee grote rotsen; bulten zijn het eerder. Op een daarvan staat de ruïne van een vuurtoren. Er kleeft nog een Nederlandse naam aan Gran Roque's meest besproken bouwwerk.


Cornelis Boy, een Nederlander van het nabijgelegen Bonaire, kreeg in 1864 van de Venezolaanse regering vergunning om kalk en zout te winnen op de eilanden mits hij op Gran Roque een vuurtoren met huis zou bouwen. Boy kwam zijn deel van het contract niet na. Tien jaar later stuurde de regering zelf bouwvakkers naar het eiland om de klus te klaren.


In de loop der eeuwen deden vele gelukzoekers de archipel met zijn visrijke wateren aan, maar niemand bleef er wonen. Hollanders van de Antillen kwamen er en kapten de mangrove om houtskool van te branden. Milieubewustzijn is tenslotte een tijdgebonden fenomeen. Meestal waren de houtkoolbranders armoedzaaiers die afgezet waren door een koopman met een grote boot. Na een paar weken kwam de boot weer langs om hen en de zakken op te pikken. De betaling was een vat rum of wijn.


Nog geen honderd jaar geleden vestigden zich de eerste permanente bewoners op het eiland. Dat waren vissers van het iets verder gelegen Venezolaanse Isla Margarita. Hard ging het niet: in 1948 leefden er niet meer dan dertien gezinnen op het eiland. Nu telt het eiland 1200 bewoners, van wie de meesten dezelfde achternaam hebben. Je bent of een Salazar of een Narvaez.


Bij de slagboom van de landingsbaan heb ik een toegangskaartje moeten kopen. Want Los Roques met het water erom heen is een nationaal park. Daarom bezitten bewoners slechts de muren en niet de grond van hun huis, mag er uitsluitend met lijnen worden gevist en is het hoogste bevoegde plaatselijk gezag een ambtenaar van het ministerie van Milieuzaken, die zo vaak als kan, komt kijken.


Daarom ook is Los Roques de eerste plek in Venezuela waar afval gescheiden wordt opgehaald. Afval, water en elektriciteit zijn de drie grote problemen op de eilanden. In Gran Roque brengt een vrachtboot twee keer per week brandstof en op de terugweg neemt hij het niet-afbreekbare afval mee. De brandstof is voor de generatoren. Windenergie is het volgende project. Tot drie jaar geleden werd het meeste drinkwater ook per schip aangevoerd. Maar met Israëlisch advies is er nu een ontziltingsinstallatie aangelegd.


Mijn wijsheid over huidig en toekomstig beleid in het eilandenrijk betrek ik van Liana, eigenaresse van de posada La Cigala waar ik neerstrijk. Zij is een Venezolaanse met Italiaans bloed en temperament, die ooit met een zeilboot dit paradijs kwam binnenvaren. Twaalf jaar geleden besloot ze het hectische Boston op te geven voor Gran Roque met zijn golfplaten daken.


In haar posada had Liana al eens filmster Jean-Paul Belmondo te slapen. Hij bekende dat hij met het komen der jaren eenvoud als in Gran Roque meer waardeerde dan de luxe van zijn eigen villa in het jetsetterige Antibes. De gastvrouwe begrijpt het: 'Gran Roque is simpel, maar schoon en echt. Niet als de Maldiven of Seychellen waar de armoede uit het zicht gehouden wordt.' De hoteleigenaresse heeft gelijk. De miljonairs in Caracas hebben prefab huisjes die zich slechts van de huizen van armen onderscheiden door het aantal antennes.


Liana kan met smaak vertellen over de taaie strijd uit de beginjaren waarin iedere emmer water of zak cement een mega-operatie was. Of over de oudjes die in weerwil van de milieuwetten nog graag een beschermde zeeschildpad in de pan stoppen. En natuurlijk over de nacht dat zij en andere bewoners met een boot onder aanvoering van de kustwacht een Koreaanse schipper die beschermde zeekomkommers viste, wisten te grijpen.


De strijd tegen milieubarbaren is op het eiland van iedere dag en wordt vooral door import als Liana met elan gevoerd. Het nieuwste onderwerp: airconditioners. Ze zijn op het eiland verboden omdat ze energie vreten, maar stiekum hebben sommige posadas ze toch. Daarom valt 's avonds prompt het licht uit: de generatoren kunnen het niet meer aan. 'En 't is nergens voor nodig. We hebben de zeewind', zegt Liana.


Een bezoek aan Los Roques is niet compleet zonder excursie op en het liefst ook onder water. Veel van de vijftig posadas op het eiland bieden overnachting met boottocht en picknickmand. Met twee Franse toeristen en een bruingebrande schipper begeef ik mij op de baren. We zoeven langs zandbanken en eilanden om uiteindelijk middenop de watervlakte stil te houden. Hup, daar liggen we met duikbril in het water.


Beneden ons is een woud van koralen, met takken zoals bomen hebben. Toegegeven: er zijn mooiere plekken qua kleur en visrijkdom om te snorkelen. Maar er blijft genoeg te zien. Scholen diepblauwe vissen die onder de rotsen vluchten, reusachtige heilbotten, vette blauw-oranje papegaaivissen en een eenzame gevlekte vierkante koffervis.


En dan is er opeens een blinkende zilverkleurige barracuda. Hij is bijna twee meter lang en lijkt te zweven in het water. Mijn blijdschap duurt kort, want hij is verontrustend groot. Nauwelijks merkbaar beweegt de roofvis zijn staart heen en weer.


Ik hoop dat hij mij niet heeft gezien. Of misschien moet ik hopen dat hij het vreemde wezen in zijn habitat juist wel heeft gezien en op de vlucht slaat. Heb ik ooit gelezen over een barracuda die zich te goed doet aan mensenvlees? De hoedster van mijn welzijn, Hilary Dunsterville, heeft over deze uitdaging op mijn pad in ieder geval gezwegen.


Met een rond zwart oog, zo groot als een pingpongbal, kijkt de barracuda in mijn richting. Dan klapt hij met zijn staart en verdwijnt door een open gat in het koraalbos. Robinson Crusoë? Het is niet voor iedereen weggelegd.