Een trotse stad van mijnwerkers, staalarbeiders en van glasblazers werd de trieste stad van verval, corruptie en werkloosheid. Toch geniet Bart Dirks. Van espresso's en van lieflijk verval.
Providence moet wel het meest ontredderde metrostation ter wereld zijn. Het mag een wonder heten dat de roltrap begint te draaien, want het lijkt alsof geen sterveling hier nog in- of uitstapt. Het is onverstandig je handen op de leuning te leggen. Ze zijn meteen zo zwart als roet - letterlijk. De trap leidt omhoog naar het perron dat op dezelfde betonnen poten leunt als de metro's in de Amsterdamse Bijlmer.
Boven is het uitzicht vreugdeloos. Links ligt een zwartgeblakerd niemandsland met net buiten het zicht het kanaal Brussel-Charleroi. Ernaast een krakkemikkig ogende fabriek van Cockerill Sambre. Gele buizen, grijze buizen, transportbanden, schoorstenen. Er dampt rook uit het gebouw. Het stinkt naar steenkool.
Rechts van het perron ligt een binnenvaartschip afgemeerd in de Samber. Het is een kade van staalfabrikant Unisor: massieve blauwe kranen, een grijparm die schroot uit het schip takelt, hoogspanningsmasten, een grote loods en een grijze koeltoren. Oude economie.
Merkwaardig genoeg sta je vanaf halte Providence zó midden in Charleroi. Thy-Marcinelle, een fabriek die in gietpannen schroot smelt om er staaldraad van te trekken, ligt bijna naast treinstation Charleroi-Sud. Samen vormen ze het uitzicht vanaf de hotelkamer.
Het Ibis-hotel rekent niet op stedentrippers, want op de stadsplattegrond in de lobby staan alleen de industrieterreinen rond het centrum aangegeven. Alcatel. Industeel. Carsid. Coara. Arcelor. AGC Automotive. Caterpillar. Ook de stadsplattegrond die de librairie Molière verkoopt, meldt op het omslag dat toutes les zones industrielles zijn vermeld. Geen woord over bezienswaardigheden.
Charleroi telt met veertien voorsteden als Marcinelle en het naargeestige Dampremy ruim 200 duizend inwoners; het is de grootste stad van Wallonië en het hart van le pays noir, het zwarte land.
De bakermat van de industriële revolutie op het Europese vasteland zit vol littekens. In het Waalse industriebekken tussen de rivieren Samber en Maas dat zich uitstrekt van Mons (Bergen) tot Luik, werden ijzer, steenkool, leisteen en marmer gedolven.
De laatste kolenmijnen zijn in de jaren tachtig gesloten, de staalindustrie heeft het zwaar in de concurrentie op de wereldmarkt. De trotse stad van glasblazers, mijnwerkers en staalarbeiders werd de trieste stad van verval, werkloosheid en corruptie.
De door de Parti Socialiste gedomineerde gemeenteraad zag de laatste jaren twee burgemeesters en een handvol wethouders in de beklaagdenbank belanden. Scandalitis en Charleroi zijn in Wallonië haast synoniem.
Het imago hield toch al niet over. Marc Dutroux, alias ‘het Monster van Marcinelle', bouwde midden jaren negentig zijn kelderkooi op amper anderhalve kilometer van station Charleroi-Sud, in de Avenue de Philippeville 128. De gevel wordt nu volledig aan het zicht onttrokken door een foto van een vliegerend jongetje. Vrolijk bedoeld, maar ijselijk voor wie de reden kent.
Het huis ligt tegenover een betonnen muur met kinderschilderingen. Daarachter een spoorlijn en vervallen loodsen. Over het spoor loopt een fly-over van de stadsring. Deze chaotische infrastructuur op betonnen staketsels maakt Charleroi er ook al niet fraaier op. In de verte is de bovenstad te zien; de koepel van de basiliek en de toren van het stadhuis, het belfort, steken piepklein tegen de horizon af.
Ook het centrum, bestaande uit de beneden- en de bovenstad, oogt vervallen. Op Place Emile Buisset liggen uitzendbureau Randstad, een apotheek en enkele restaurantjes: een prima Turks eethuisje en een lekker restaurant met Belgisch-Franse keuken.
Cinema Paradiso heeft de luiken echter al een eeuwigheid omlaag; de gevel is gestript. Op de hoek is meer leven, in het volkse Café de Paris en in café Le Prince de Liège. In de Rue de Collège ligt zowaar een rijtje prachtige panden. Maar wie heeft de bouwvergunning gegeven voor die flat van zestien verdiepingen?
De straat richting Place François Rucloux, waar de kasseien alweer door het asfalt breken, heeft een Erotic Discount Center (‘le moins cher de la region'); op de vijfsprong tippelt voor Bar les Anges een vrouw van in de veertig. Ze draagt een zwartleren rokje en hoge hakken. Haar kapsel is onnatuurlijk sneeuwwit.
Toch bekoort het verlepte Charleroi, ondanks alles. Niet eens vanwege de troeven waarmee het maison du tourisme de stad mooier probeert te maken dan ze is. Natuurlijk, er zíjn art nouveau-panden en parken, de kathedraal zít vol met bladgoud, en ja, er stáán standbeelden van lokale striphelden als Lucky Luke, Robbedoes en de Marsupilami.
Maar daarvoor ga je niet naar Charleroi. Het is juist de vervallen, postindustriële sfeer die lonkt. Het gevoel ook dat dit ook een stukje Turijn zou kunnen zijn, gezien de uitstekende espresso's die je in de tentjes van de Italiaanse migranten krijgt. Het is februari, maar de terrasjes op Place Charles II, bij de basiliek met zijn vaalgroene koepel en het art deco-raadhuis, doen goede zaken. Bekenden begroeten elkaar steevast met één zoen op de wang.
Ook vanaf dit centrale plein in de bovenstad (ville haute), waar zeven straten en een voetgangerszone samenkomen, zijn in de diepte de schoorstenen van Thy-Marcinelle zichtbaar. Het merkwaardige is: bij zonsondergang is het niet eens lelijk. Het strijklicht tekent de rookwolken haarscherp af.
Honderd meter verder ligt de Place du Manège. De uitbaters van pitabars, kebabzaken, pizzeria's en frietkoten wedijveren wie de meeste neonreclames heeft. ‘Ambiance, disco karaoke', knippert het bij El Gringo. Alleen het Palais des Beaux Arts doet niet mee aan de uitbundige lichtshow.
Ook de uit Novosibirsk afkomstige regisseur Andrei Zvyagintsev viel voor de verborgen charmes van Charleroi. In 2003 won hij in Venetië de Gouden Leeuw, voor zijn nieuwste film The Banishment filmde hij negen dagen in de Waalse mijnstreek.
‘Het soort stad dat ik zocht, vind je nergens in Rusland', zei hij half februari in weekblad Focus Knack. ‘Ik was op zoek naar een plek die duidelijk was aangetast door het industrialisatieproces van de vorige twee eeuwen. Bovendien moest het om een locatie gaan die een bepaalde anonimiteit en verloedering uitstraalt.'
In Charleroi vond hij een bar waar sinds 1961 geen spat meer was veranderd. ‘Die afgeleefde look paste perfect bij het geabstraheerde niemandsland dat ik wilde vastleggen.'
Zvyagintsev heeft gelijk: het industriële landschap is even monsterlijk als lieflijk. Beklim achter museum Le Bois de Cazier (de oude kolenmijn van Marcinelle waar in 1956 bij een ramp 262 doden vielen) de twee bergen van kolenafval.
De terrils zijn spitser dan de Vesuvius en zwarter dan de nacht. Ze vormen, met een dozijn andere door de mens gevormde bergen rond Charleroi, de stille getuigen van een even armoedig als indrukwekkend industrieel verleden.
5 bars in Charleroi
Doen en Laten:
Lees hier de reportages over de andere 'lelijke' plekken.