De vlucht naar Chitral gaat niet óver bergen - daar zijn ze te hoog voor - maar er tussendoor. Als het weer tegenzit, blijft de Fokker aan de grond.
De paniek van een Amerikaanse vriendin versterkt ons gevoel van afzondering. 'De afgelopen twee dagen hebben ze niet gevlogen', constateert ze somber. Over land komt ze ook niet op tijd voor haar afspraak. Twee wegen verbinden dit stadje met de rest van Pakistan, maar die zijn vanwege de sneeuw het grootste deel van het jaar gesloten. 'De weg naar Peshawar is net opengesteld', weet ze. 'De bus heeft over 330 kilometer 22 uur gedaan. De passagiers beschreven de tocht als wildwater-rafting in een busje. Niet erg aanlokkelijk dus.'
Als het weer niet opklaart en daar ziet het niet naar uit, kan zij haar afspraak in Islamabad vergeten. Dikke wolken bedekken Chitral en kleuren alles grijs: huizen, berghellingen, rivieren. Het stadje in het noorden van Pakistan, door de kilometershoge uitlopers van de Hindu Kush gescheiden van Afghanistan, krijgt weinig bezoek van buitenlanders en met dit miezerige weer vertoont ook de plaatselijke bevolking zich nauwelijks op straat. Een paar eet- en kledingstalletjes zijn open, maar de winkeliers drinken vandaag alleen thee met elkaar.
Op het politiebureau krijgen we formulier nummer 17 en 18, wat betekent dat dit jaar slechts zestien reizigers ons zijn voorgegaan. Terwijl dit misschien wel het mooiste gedeelte van Pakistan is. Bergtoppen van meer dan achtduizend meter torenen woest, rauw en overdonderend boven de grillig gevormde vallei uit. Overal is water, in de vorm van rivieren, beken en watervallen, maar het heeft er zichtbaar moeite mee om van de Chiantargletsjer, een blok ijs van zo'n veertig kilometer, een weg naar beneden te vinden. Waar het water een kans krijgt, verandert grijze rots in een boomgaard vol roze bloesem of velden vol wuivende tarwe, maar lieflijk wordt het nooit.
Verborgen achter deze muren van rots en ijs wonen de Kailash of Kaffers, een naam die is afgeleid van het Arabische woord voor ongelovige, kafir. Later werd het misbruikt om Afrikanen te schofferen. De drieduizend bergbewoners rond Chitral zijn vrijwel de enige Pakistanen die nooit tot de islam zijn overgegaan. Ze zien er ook anders uit dan de moslims; veel Kaffers hebben een lichte huid, blauwe of groene ogen en rossig haar. Volgens de overlevering zijn zij nazaten van Alexander de Grote, de Griekse veroveraar die 330 jaar voor Christus met zijn leger vanuit Macedonië tot aan India doorstootte.
Ook al worden ze Kaffers genoemd, ongelovig zijn de bergbewoners niet. Eén god en honderden geesten beïnvloeden het dagelijkse leven. Met gebeden en offerandes vragen ze de natuur toestemming om het vee te laten grazen of hout te kappen.
De wereld is ingedeeld in onjesta en pragata, rein en onrein; begrippen die voor plaatsen, personen en daden worden gebruikt. De hooggelegen velden, mannen en geiten zijn rein, vrouwen zijn onrein. Wat niet inhoudt dat ze zich in hun huizen verstoppen en gedienstig gedragen. Zodra vreemdelingen zich in hun dorp vertonen, rennen de vrouwen direct op hen af, praten en lachen met hen, zetten thee en nemen dankbaar sigaretten aan die ze meteen oproken. Een enorm verschil met het twee uur verderop gelegen Chitral waar vrouwen niet zonder burqa over straat gaan en zéker niet met een vreemde man zullen praten.
Niet alleen vliegtuigen ondervinden problemen bij slecht weer. Twee van de drie valleien waar de Kailash wonen, zijn afgesloten door modder, sneeuw en water en om de derde te bereiken, moeten we een paar keer uitstappen om het pad, een smal weggetje langs een diepe afgrond, met blote handen vrij te maken. Totdat de jeep niet verder kan en we moeten lopen; over een paar planken over woeste beken en tegen glibberige hellingen op.
Het uitzicht compenseert alle ongemak. Wanneer na de laatste brug zonder leuningen de houten huizen opdoemen die als adelaarsnesten tegen de bergwand zijn gebouwd, komen de vrouwen met open armen op ons af. De plaatjes uit het dagboek van Sir George S. Robertson, die in 1889 als Britse agent in het gebied verbleef, komen tot leven: rijzige vrouwen met lichte ogen en vlechten aan de voor- en achterkant van hun hoofd. Ze dragen zwarte kleding die bij elkaar wordt gehouden door een kleurige sjaal om hun middel. Elke vrouw heeft honderden rode, gele en oranje kettingen om haar nek hangen en draagt een hoedje zonder rand en deksel, dat is versierd met kralen, knopen en schelpen.
Natuurlijk moet er thee komen en terwijl we op lage houten stoeltjes zitten, verzamelt het hele dorp zich op de veranda. Er zijn nauwelijks mannen. 'Die zijn in een andere vallei', legt een meisje uit. 'Daar is onlangs iemand overleden. Alle mannen uit de omgeving komen de laatste eer bewijzen tijdens een begrafenisplechtigheid die dagen duurt.'
Zarina is onze gastvrouw, een scheel kijkende dame met een ondeugende lach. Maar Shamali voert het woord want die is al 53. Denkt ze. Niemand hier houdt verjaardagen bij. Ze vinden het leuk dat er weer bezoek is van buiten, zegt Shamali terwijl ze tevreden aan haar sigaret trekt. 'Buitenlanders zijn bijna altijd aardig, dus die ontvangen we graag. Jammer genoeg komen er ook Pakistaanse toeristen en die zijn vreselijk.' Alle vrouwen om haar heen knikken en beginnen door elkaar te ratelen - verhalen over Pakistaanse mannen die zich hebben misdragen. 'Ze verstoppen hun eigen vrouwen en komen hier naar onze gezichten kijken', zegt een jong meisje op minachtende toon. 'Ze denken dat ze alles kunnen doen. Ze hebben geen respect.'
Na de thee breekt de zon door en even denken we aan onze Amerikaanse vriendin die misschien toch nog naar Islamabad kan vliegen. Ondertussen pakken de vrouwen hun spullen op en lopen over angstvallig steile paadjes naar de rivier. Leuk dat er bezoek is, maar de was moet ook nog gedaan worden. En daar zitten ze dan, op witte stenen langs de rivier, waar ze hun vlechten uithalen, hun haren uitspoelen en naar voren kammen en daarna hun sieraden schoonmaken in het water. De natte rokken en broeken liggen naast hen in de zon te drogen. Geitjes zoeken mekkerend de schaduw op.
En altijd als je denkt dat je ergens alleen bent, loop je een andere toerist tegen het lijf: Miranda, een 49-jarige Griekse uit Tessalonië, die op zoek is naar de nazaten van Alexander de Grote. 'De Kaffers zijn ab-so-luut Grieks', zegt ze vol vuur. 'Kijk naar de lichte ogen. En naar hun huidskleur, dezelfde als de mijne. En hun neuzen, bijna de helft van deze mensen heeft een typisch Griekse neus!'
De Kaffers zelf kunnen er niet opgewonden van raken. 'We weten allang dat we van Alexander de Grote afstammen', zegt Shalima die ook aan de rivier is komen zitten.' Dat blijkt uit al onze verhalen.' En daar houdt ze het bij.
Er zijn nog geen reacties op deze bijdrage.
Griekenland - Gert werkte zich van klusje naar klusje, maand na maand. Hij had zijn...
Griekenland - Op een grijze herfstdag reed Gert me naar het stuk land van de Vlaamse...
Lek - Zondag, zomer en met vrienden mee op het water. In een...
Noordkaap - Vrijdag 16 juli / zaterdag 17 juli. Na een lange voorbereiding zijn...
Rusland - Welke ontmoeting in de trein was zo speciaal dat je die nooit meer zal...
Duitsland - Sta je niet graag op de latten en trek je liever wandelschoenen aan,...
Bali - Waar kun je het beste naar toe als je Kerst wilt ontvluchten? Waar...
Iran - Hoe reis je als vrouw alleen het beste rond in minder...