Stilte in het oog van de tornado

door ErikSchoep op maandag 19 mei 2008

Suchitoto, El Salvador op maandag 19 mei 2008

klik voor een grotere foto
klik voor een grotere foto
klik voor een grotere foto
klik voor een grotere foto
klik voor een grotere foto
klik voor een grotere foto
klik voor een grotere foto
klik voor een grotere foto
klik voor een grotere foto
geschiedenis kunst hotels eten suchitoto

 

In het oog van de tornado is het windstil. Zo is het ook in El Salvador: midden in de chaos, de drukte en het geweld van het land ligt Suchitoto, een pittoresk dorpje waar nog rust heerst en een van de weinige plekken in het land waar men zich nog bewust is van cultuur en tradities. ‘Plek van vogels en bloemen' betekent Suchitoto in het Náhuat, de taal van de oorspronkelijke bewoners. Ze hadden geen mooiere naam kunnen bedenken.

 

Een korte geschiedenis van Suchitoto: Nadat Cortés Mexico had veroverd, stuurde hij Pedro de Alvarado erop uit om de Indianen in Midden Amerika onder de duim te krijgen. In 1524 veroverde Alvarado zo Cuscatlán, het gebied dat nu El Salvador heet. Om duidelijk te maken dat het nu Spaans grondgebied was moest er natuurlijk een hoofdstad gesticht worden. Aangezien de Spanjaarden nog maar met weinigen waren, zou het gunstig zijn die hoofdstad dichtbij een bevriend Indiaans dorp aan te leggen, om zo verzekerd te zijn van voedsel en bescherming. Suchitoto was destijds een bloeiend en dichtbevolkt Indiaans dorp, dus Alvarado besloot zijn stad te stichten op zo'n tien kilometer afstand ervan. Ondanks de veelbelovende naam San Salvador zat het de Spanjaarden niet mee in hun splinternieuwe stad: hitte, onweersbuien en aanvallen van Indianen en Spaanse bandieten vanuit Nicaragua. Al in 1545 werd daarom besloten de hoofdstad zuidelijker te verplaatsten naar de plek waar San Salvador nu nog steeds ligt. Van de oude hoofstad en de villa van Pedro's broer Diego de Alvarado zijn nu nog de ruïnes te bezichtigen. Met het verdwijnen van de hoofdstad uit het gebied werd het ook weer rustiger in Suchitoto. In de zeventiende eeuw werd het dorp een van de centra voor het verbouwen van de kleurstof indigo, maar na de komst van synthetische kleurstoffen werd koffie het belangrijkste handelsproduct. Tijdens de Salvadoraanse burgeroorlog tussen 1980 en 1992 vluchtte een groot deel van de inwoners van Suchitoto weg en bleef het bijna leeg achter. Na de oorlog was het praktisch ongeschonden dorpje daarom een aantrekkelijke plek voor kunstenaars en intellectuelen om de drukte en het geweld van de hoofdstad te ontvluchten. Veel van hen trokken erheen en zij hebben ervoor gezorgd dat Suchitoto haar koloniale charme heeft bewaard en nu wordt beschouwd als het cultureel centrum van het land. Vorig jaar was Suchitoto nog wereldnieuws toen een groep inwoners demonsteerde voor drinkwatervoorzieningen. Toen de demonstratie een beetje uit de hand liep werden dertien demonstranten opgepakt op grond van, jawel, terrorisme! Alleen in El Salvador kun je protesteren voor drinkwater en worden opgepakt als een heuse terrorist.

 

Suchitoto staat vol goede hotels, kunstgalleries, cafeetjes en restaurants. Wij eten tijdens ons bezoek in La Fonda del Mirador: vis met zoetzure tamarindesaus, garnalen in knoflook, ceviche en michelada: een verfrissende mix van bier, ijs, zout, peper, worchestersaus en tabasco. Het restaurant geeft uitzicht op het meer Suchitlán, dat is ontstaan door de bouw van een stuwdam in de rivier de Lempa. Je kunt er bootjes huren om naar een van de eilandjes in het meer te varen en vogels te bekijken. Dat doen we deze keer niet, want de eigenaar van het restaurant heeft voor ons al een bezoek geregeld aan het huis van Alejandro Coto.

 

De cineast Alejandro Coto is een levende legende in het land. Als ereburger van Suchitoto heeft hij ervoor gezorgd dat het dorp op de culturele landkaart van Amerika is komen te staan. Hij is geliefd vanwege zijn inzet voor de Salvadoraanse cultuur, maar tegelijkertijd wordt hij verguisd vanwege zijn openlijke homoseksualiteit, iets dat in dit land nog steeds niet wordt geaccepteerd en daarom meestal verborgen wordt gehouden. Coto is nu oud en aan één oog blind, maar desondanks leidt hij ons zelf rond in zijn huis, een prachtige koloniale villa. Het hele huis is een museum. Sommige kamers hangen vol schilderijen, zowel van lokale als buitenlandse schilders, met als topstuk een werk van de Mexicaan Diego de Rivera, echtgenoot van Frida Kahlo, door hemzelf aan Coto geschonken. In andere kamers zijn de muren bedekt met onderscheidingen die Coto heeft ontvangen voor zijn werk, onder andere van de koning van Spanje. We zien houtsnijwerk, oude muziekinstrumenten, boeken, partituren en andere snuisterijen. De grootste privécollectie van Midden Amerika, vertelt Coto ons trots. De grote tuin geeft wederom uitzicht op het stuwmeer. De keuken met de blauwe beschilderde tegeltjes lijkt niet te zijn veranderd sinds de achttiende eeuw. Bij afscheid vraag ik Coto nog naar zijn films, want ondanks zijn bekendheid lijkt vreemd genoeg niemand in El Salvador ooit een film van hem te hebben gezien. Coto lacht: hij heeft ze in het buitenland moeten maken, El Salvador was niet klaar voor zijn ideeën. Ook nu nog is nauwelijks iemand in het land erin geïnteresseerd: te controversieel.

 

Voordat we weer op huis aangaan bezoeken we nog even de witte kerk van Santa Lucía. Geheel naar Spaanse maatstaven staat de kerk aan het centrale plein tegenover een stadhuis met zuilengallerij. Het stadhuis is inmiddels omgetoverd tot een hotel, maar de kerk heeft zijn functie behouden. Het interieur ervan bestaat uit houtsnijwerk en houten zuilen. Geen wonder dat het gebouw al meerdere malen door brand is verwoest. Toch werd het steeds weer opgeknapt, en met resultaat. Achterin de kerk staat een beeld van Santa Lucía, de beschermheilige van Suchitoto, met haar ogen op een schaaltje in haar linkerhand. Vóór haar executie zouden haar ogen zijn uitgeprikt, en zij is daarom ook de beschermster van de blinden en slechtzienden. Alejandro Coto, met zijn ene blinde oog, heeft in Suchitoto dus de juiste plek gevonden.