strand
zee
surfen
el salvador
Als je een Salvadoraan vraagt naar de mooiste plekjes van zijn land zal hij je in negen van de tien gevallen naar het strand sturen. Vol goede moed trok ik daarom mijn Hawaï-overhemd aan en pakte ik mijn zwembroek in: op naar witte stranden, palmbomen, kokosnoten en turkooizen, kabbelend water. De teleurstelling liet niet lang op zich wachten: wat ik aantrof waren een grauwe, kolkende zee en een bijna zwart strand. El Salvador heeft geen Caribische kust zoals de andere landen in Midden-Amerika, maar alleen stranden aan de Stille Oceaan. Het donkere vulkanische zand aan deze kant van de landengte zorgt ervoor dat het water niet de romantische turkooizen kleur heeft, zoals in de films. Maar eenmaal in het water kwam ik al snel over mijn teleurstelling heen. Het water is heerlijk warm en de kokosnoten en palmbomen geven je toch dat ‘Blue-Lagoongevoel’.
De kust is verdeeld in een heleboel strandjes, elk met een eigen karakter. Mijn reisgenote en ik rijden van west naar oost. De eerste trekpleister die we aandoen is Playa Salinitas. De zee is hier tamelijk
rustig en het strand ligt vol keien, wat het lopen op blote voeten tot een pijnlijke bezigheid maakt. Tot een paar jaar geleden was hier een club waar je voor weinig geld wat hangmatten met tafel en een afdak kon huren om er een dagje aan het strand door te brengen. Ook was er een slecht onderhouden dierentuintje met als voornaamste attractie een krokodil in een stinkende put waarvan de doorsnede ongeveer zo groot was als hijzelf, zodat hij er alleen als de wijzer van een kompas in kon ronddraaien. Tot groot ongenoegen van velen en tot plezier van anderen moest deze club plaatsmaken voor een
luxe resorthotel van een internationale hotelketen waar je de hele dag naast het zwembad ‘all-inclusive’ bacootjes uit een plastic bekertje kunt drinken.
We rijden maar snel verder over de Carretera Litoral en zien een heleboel
surfers over de golven scheren. De stranden San Blas, El Majahual, Zunzal en El Tunco zijn populaire
surfspots, waar surfhelden uit de hele wereld naartoe komen om hun kunsten te vertonen. De sfeer is gemoedelijk in El Tunco, genoemd naar de rots die aan een zwijn zou doen denken. Jongeren eten er een garnalencocktailtje met een flesje bier, springen van de rots en lopen heen en weer met surfplanken en boogie boards. Er zijn winkeltjes waar kleding en surfaccessoires worden verkocht en de hele dag klinkt Bob Marley door de luidsprekers. ’s Avonds is er feest met live muziek in bar La Guitarra. Laat naar
bed en vroeg weer op, want de beste golven zijn er bij zonsopkomst.
Surfen maakt hongerig, dus we rijden voor de lunch een eindje verder en parkeren voor La Curva de Don Gere in het havenplaatsje La Libertad. In ‘La Curva’ serveert men op drie verdiepingen alles wat de zee te bieden heeft: vis, garnalen, kreeft, krab, oesters en meer. Een aanrader is de mariscada, een romige soep waarin al deze diertjes te vinden zijn. Hij wordt geserveerd met plank en hamer om de krab te lijf te gaan. De maaltijd wordt begeleidt door live salsamuziek, waarop tussen de gangen door wordt gedanst. Voor hen die liever zingen dan dansen zijn er ook oude mannetjes die de tafels rondgaan en voor een dollar een melancholische meezinger ten gehore brengen.
In La Libertad bevindt zich ook een pier waar kleine vissersbootjes aan afmeren en hun lading verse vis aan wal brengen. We lopen een eindje de pier op waar allerlei creaturen uit de diepzee aan de man worden gebracht. Red snapper, hamerhaaien, garnalen en oesters in alle maten, stokvis... alles wordt vakkundig voorgeproefd door zwermen vliegen, onvermijdelijk, maar niet bevorderlijk voor de eetlust.
We gaan verder en met een omweg komen we bij de Salvadoraanse Costa del Sol. Dit is een strand voor de rijken. Zij verblijven hier in de weekenden in hun luxe vakantiehuisjes met directe toegang tot het strand. De arme lokale bewoners moeten genoegen nemen met een golfplaten onderkomen op de tweede rij. Bovendien wordt hen de toegang tot het strand bemoeilijkt door de hoge muren om de vakantiehuisjes, die naast elkaar een lange, bijna Berlijnse muur vormen. De vakantiehuisjes aan zee hebben paradoxaal allemaal een eigen zwembad, zodat de welgestelden niet de zee in hoeven om te zwemmen, die is voor hen te vies en te zout. Zonder vakantiehuisje kun je maar beter niet naar de Costa del Sol gaan.
We rijden maar gauw verder naar het oosten en staan een half uur stil wegens wegwerkzaamheden. Gelukkig snellen verkopers toe met ijs, water en nootjes om het oponthoud in de hitte wat draaglijker te maken. We slaan wat water in, nemen een ijsje en kunnen weer doorrijden. We komen langs de mangroven van de Bahía de Jiquilisco. Die slaan we nu even over, want daar komen we een volgende keer nog wel. Na nog een uurtje rijden worden we beloond met het volgens kenners mooiste strand van El Salvador: Playa el Espino. Hier is iedereen welkom, arm en rijk, en hier gebeurt helemaal niets. Hier heerst rust. Heel zachtjes botst het water tegen het uitgestrekte strand. Pelikanen zweven over het oppervlak en duiken af en toe het water in om met een lekkere vis in de snavel weer boven te komen. We genieten van het spektakel vanuit een hangmat onder het genot van het verfrissende water uit een kokosnoot. Een klein meisje loopt rond en biedt kettingen van schelpen en haaienbotten aan. Als ik haar te kennen geef nu even geen geld op zak te hebben voor zo’n mooie ketting wijst ze me er verwijtend op dat ik wel “luxe teenslippers” en een “luxe zwembroek” draag. Ze loopt boos weg. Ik neem me voor later een ketting van haar te kopen, maar ze komt niet meer terug en ik moet weg: ik heb nog een lange rit voor de boeg, terug naar de chaos van San Salvador.