Vrolijk rinkelende belletjes lokken me naderbij. De belletjes hangen aan kleurig versierde paarden. Aan de hand van hun berijders lopen ze rituele rondjes om een stenen hutje waar witgrijze rook uit komt die als een mistwolk de paarden en hun berijders opslokt en weer prijsgeeft. Het hutje blijkt een soort oven waarin jeneverbestakken worden verbrand. Ik ben nog niet zo lang wakker en de sereniteit van het schouwspel laat me even denken dat ik nog aan het dromen ben.
Maar dat duurt niet lang want ik vind mezelf terug tussen een horde dringende Chinese persfotografen. Zij zijn ook van plan niets te missen van het jaarlijkse Tibetaanse paardenfestival in Litang, gelegen op 4300 meter hoogte, dicht tegen de Tibetaanse grens in Sichuan.
Het is nog vroeg en de races beginnen pas vanmiddag. Tijd genoeg om het festivalterrein te verkennen en rond te struinen op de kermis. Ik waag me aan het fietsbandrollen en dreig even een porseleinen dalmatiër te winnen. Gelukkig valt de band er net naast. De Tibetanen lachen erom. Ze lijken veel plezier te maken op hun jaarlijkse samenkomst.
Dan klinkt er strenge marsmuziek voor de openingsceremonie en ik zoek een plekje achter het touwtje dat door de Chinezen als afscheiding om het grote veld is gespannen. Agenten met ondoorgrondelijke gezichten letten op dat het publiek netjes achter het touw blijft. De riem die zij gewoonlijk om hun middel dragen, hebben zij nu los in hun hand. Soms steekt een been te ver uit of staat iemand aan de verkeerde kant van het touw.
Het spektakel begint. Dorpen uit de omliggende dalen presenteren zich als deden ze mee aan de Olympische Spelen. Kleurrijk maar ook ordelijk en netjes, begeleid door een peloton militairen. De races volgen. Onder luid gejoel van het publiek galopperen de Tibetanen van de ene naar de ander kant. Onderweg halen ze halsbrekende toeren uit. Deze mannen lijken op een paard te zijn geboren. Met groot gemak laten ze zich in volle vaart uit het zadel naar beneden vallen om een witte sjaal van de grond te rapen.
De persfotografen hebben strategisch positie gekozen. Toeristen met fototoestellen volgen hen voorbij de touwen. De Tibetanen waar ik tussen sta, wordt het zicht ontnomen op hun eigen races. Na mijn verontwaardiging te hebben verbeten, voeg ik me met het schaamrood op de kaken bij de gelukkigen.
De volgende middag barst het dansfestijn los. Het Tibetaanse publiek verzamelt zich weer keurig achter de gespannen touwtjes. Lijdzaam, denk ik dan nog. Ik zoek een plekje voor de hoofdtribune en ga tussen de mensen op de grond zitten. Mannen en vrouwen in kleurrijke klederdracht voeren ingenieuze dansen op, zwaaiend met hun overhangende lange mouwen.
Het publiek wordt intussen onrustig. Mensen om me heen gaan wat naar voren verzitten. Worden weer teruggeduwd. Gaan weer verzitten. Worden weer teruggeschreeuwd. Dan gaat er iets mis. Schuin aan de andere kant van het veld breekt iemand door de dikke haag van publiek heen. Op de hielen gezeten door een paar militairen. Iedereen begint te rennen. Ik sta ook op en probeer de opdringende massa te ontwijken. Met mijn lijf vol adrenaline breng ik mezelf in veiligheid achter de tribune. Een eind verderop vinden wat schermutselingen plaats, maar wat er precies aan de hand is wordt niet duidelijk. Wat intussen wel doordringt is dat het Tibetaanse paardenfestival niet meer van de Tibetanen is.
De rust keert weer, maar de sfeer niet. Aan het einde van de middag loop ik kilometers door de velden terug naar de stad. Af en toe passeert een man op een paard. Met rinkelende belletjes. Het serene gevoel wil echter niet terugkomen.