fietsen in frankrijk
De honderd cols tocht.
In december 2005 stond het vast, de 100 cols zou, hoe dan ook door mij gefietst worden. Niet in een reeks van jaren, maar in één keer. Met bagage moest dat lukken in een week of zes. In februari 2006 kwam het Fietsevenementen programma uit en wat lees ik. De buitenlandcommissie van Le Champion had het wijze besluit genomen om deze tocht in haar programma op te nemen. Direct de site van toerfietsclub Le Champion bekeken
Een strak etappeschema.
Ruim 4200 km, 105 cols en ruim 69 côtes in 25 dagen. De eerste week etappes van rond of boven de 200 kilometer met een uitschieter van 260 km. Deze informatie heb ik even laten bezinken. Zou ik dat aankunnen? Ja, natuurlijk! Dan ga je de voor –en nadelen op een rijtje zetten. Het voordeel was, géén bagage op de fiets, de tent kon thuisblijven, niet koken en boodschappen doen. Een ander voordeel, mijn vrouw zou minder lang alleen zijn. Nog een belangrijk voordeel, sportief gezien had het ook allemaal wat meer. Geen dag dat je kon zeggen ik blijf in mijn tentje liggen. Nee, de zweep er over. Trappen en niet ouwehoeren. Met andere woorden geen tocht voor watjes. De nadelen? Maar één, het strakke schema. Maar daar dit, zoals eerder gezegd ook een voordeel kan zijn, was de beslissing snel genomen.
Gerit van der Loo, één van de bedenkers en ons opperhoofd tijdens deze tocht, had geopperd dat de ploeg maar wat tochtjes met elkaar moest fietsen om kennis te maken. Dus ben ik op 2de Pinksterdag, de dag waarop in Friesland de Elfstedentocht wordt gefietst, naar Driebergen vertrokken voor een tochtje over de Veluwe. Als regelmatige fietser heb je snel in de gaten wat voor een vlees je in de kuip hebt. Niet slecht. Allemaal mannen en één vrouw die weten hoe je pedalen moet teisteren. Het IJsselmeerrondje van 280 km. dat later volgde bevestigde dit. Vervolgens bleef het, op wat mailtje na, rustig tot dag van vertrek.
Met Gerrit, Andrea en Henk in de auto naar Saverne. In ons hotel, even buiten Saverne, kennisgemaakt met de leden van de ploeg die ik nog niet ontmoet had. Maarten Verheul en Eric de Bos waren al warm gedraaid door per fiets, vanuit Limburg naar de startplaats te trappen. Mijn kamergenoot Jo Ferket bleek van een uitzonderlijk kaliber te zijn. De La Marmotte, de zwaarste ééndagstocht die je kunt bedenken tweemaal binnen de zeven uren gefietst, dan weet je wat klimmen en afzien is. Als de rest ook zo is, dan zie ik ze de komende vijf en twintig dagen alleen bij het avondeten.
Wat is een côte?
De volgende ochtend was het zover. De 1e etappe van de vijfentwintig kon beginnen. Het weer was goed. De man in het station van Saverne had zijn datumstempeltje al klaar liggen. Het werd serieus. Voor mijn vertrek heb ik in een Frans woordenboekje uitgezocht wat een côte is. Daar hadden wij er ook negen en zestig van te verteren. Het zal niemand verbazen dat het een helling is. Tja, dat weet je dan. Tijdens het fietsen was het mij niet altijd duidelijk waarom de ene klim een col heet te zijn en de andere een côte. Er waren genoeg momenten dat het verschil niet merkbaar was. Een honderd côte register naast het honderd cols register? Zou wel rechtvaardig zijn.
Prima ontbijt.
De eerste dagen verliepen uitstekend, lekker zonnetje, mooie temperatuur zo rond de vijfentwintig à vijfendertig graden wat wil een mens nog meer. Jo, Marcel en Wim Tuinebreijer vertrokken vanwege de warmte vroeger en de rest profiteerde van werkelijk fantastische Franse ontbijten. De tijd van alleen een kop koffie en een croissantje is geweest. Koffie, thee, limonade, chocolade het stond allemaal uitgestald op het buffet. Elke ochtend stapte ik propvol van tafel op de fiets. Dat de honger na enkele uren opnieuw toesloeg had niet alleen met het ontbijt te maken. Als je direct na de start enkele côtes moet verteren, dan zijn die luchtige croissantjes, stokbrood, kwark met meusli als sneeuw voor de zon verdwenen. Maar iedereen had voldoende voer bij zich om de gevreesde hongerklop de baas te blijven. Peter onze chauffeur stond op bepaalde punten in de route opgesteld zodat het water kon worden aangevuld. Ook had hij wat mondvoorraad bij zich in de vorm was een gelletje of een sportreep. Verder is Frankrijk rijkelijk voorzien van supermarkten, waar je, als ze open zijn de voorraad aangevuld kon worden.
In het gezelschap van Jac Zwart kwam je geheid in een restaurant terecht voor een lasagne of een pizza. Jac hield wel van en behoorlijke lunch. Gerrit, Koos en Andrea lieten een smakelijke middaghap ook niet aan zich voorbijgaan. Tja, het is niet alleen fietsen. Wij kozen voor een rustige opzet, regelmatig pauzeren, de klim op het verstand aanpakken zodat je aan het eind van de dag nog wat over had. Soms lukte dat niet omdat er etappes bij waren die alles van je vroegen. Maar ik loop op de zaak vooruit. Op de éérste week terugkomend, die verliep behoorlijk. Als je van warmte houdt was het weer perfect. Niet iedereen voelt zich lekker bij temperaturen die rond of boven de veertig graden. Na een week besloot ik dat ik het groepje Gerrit, Andrea, Koos, Ron en Henk zou loslaten..Zij reden mij te onregelmatig. Dan maar alleen verder. Gelukkig dachten Ron en Henk er ook zo over dus er was weer een nieuw ploegje met Jac als een aanwaaiende gast.
Regent het daar altijd?
Met het weer ging mis in de aanloop naar Col de Pas de Perol, ook bekend onder de naam Puy Marie. Wat is er toch aan de hand met Marie. Is ze incontinent? Deze col heb ik nu tweemaal beklommen, de éérste maal tijdens Amsterdam-Gibraltar, en het zeikt er altijd van de regen. Alle regenspullen moesten aan en het plezier van een rappe afdaling kon ik wel vergeten. De remblokjes sleten voor mijn ogen. Bij zoveel regen willen er wel steentjes loskomen dus lekke banden bij de vleet. Zelf heb ik tijdens de hele tocht niet heen gehad.
Beesten van cols.
Na de regen bij Marie ging de ploeg op weg naar de Pyreneeën. Echt iets om naar uit te zien. Voor mij onbekende bergen stonden er op het programma. Heeft iemand wel eens van de Col de Gamia gehoord? Ik niet. De Col de Burdincurutcheta (1135 mtr)? Ook niet? Dat kan ik mij voorstellen. Maar ik kan u vertellen, ze zijn niet voor de poes. De Gamia was een veredeld, zeer stijl geitenpad, het wegdek een beetje nat en je hoefde echt niet op de trappers te gaan staan. Dan slipte het achterwiel door, met als resultaat complete stilstand en een zijwaartse val richting koeienpoep. Die andere met die moeilijke naam mag onder de categorie ‘beesten van cols’ geplaatst worden. Daar kwam bijna geen eind aan. Eenmaal boven gooide ik mij in de afdaling en zag in mijn enthousiasme een afslag over het hoofd. Pas op het moment dat zo’n wit bord met een rode rand aangaf dat de weg hier ophield, wat ook duidelijk te zien was, dacht ik, Wim je zit fout. Terug, vijf kilometer klimmen. Dat zijn van die extraatjes die niet in het honderd cols brevet zijn verwerkt. Alles kwam goed, Peter onze chauffeur in de branding, stond op het juiste moment op een col en dan ben je die extra kilometers weer vergeten. Een plak scheepsteer, een andere naam voor een calorierijke hap van Enervit, wat drinken en je kunt er weer tegen om de Col de Bagargui (1392 mtr), de Col de Soudet (1517 mtr) en als toetje de Col de Marie Blanque (1035 mtr) te beklimmen. Na een douche en een hap eten weet je niet meer dat je gefietst hebt. Maar 4500 hoogtemeters op één dag is natuurlijk niet niks. Zeker als de volgende dag een rit van vergelijkbaar kaliber staat te wachten. Deze rit moet ik toch maar eens beschrijven.
Na het ontbijt ging het vanuit het hotel in Eaux-Bonnes direct omhoog de Col de Aubisque (1709 mtr) op, verder naar de Soulor als verlengde daarvan. Dan volgde een aardige afdaling naar Argelos-Gazost. Zij die daar wel eens geweest zijn weten dat je van hieruit naar de Col de Tourmalet (2115 mtr) kunt. Geen probleem, ook die gaat voor de bijl. Tijdens de klim raakte ik met en Engels sprekende Spanjaard aan de praat. Hij begon het gesprek, en dat had hij beter niet kunnen doen. Op laatste kwamen de woorden er bij hem door ademnood hortend en stotend uit. Hij had hij nog net genoeg lucht om te vragen naar mijn leeftijd. Na het horen daarvan sloeg het zuur niet alleen in zijn benen maar tevens in de hersenpan. Het was gedaan met hem. De Tourmalet was wel het hoogtepunt van deze dag maar wij waren er nog niet. De Col d’Aspin (1489 mtr) was de volgende. Ook nog te doen. Om de benen warm te houden stond als laatste de Col de Peyresourde (1569 mtr) op het programma. Gerrit, de bedenker van dit alles moet toch nodig eens aangepakt worden. Hoe durf je. Weer 4500 hoogtemeters op één dag.
Gelukkig hebben wij de volgende dag een dag vol ontspanning met de Col de Menthe (1349 mtr), Col de Portret-D’Aspet (1069 mtr), Col de la Core 1395 mtr) , Col de Latrape 1110 mtr) en Col de Agnes (1580 mtr) op het programma. Hoeveel hoogteverschil? Zelfs nu wil ik het nog niet weten. Maar echt ontspannend kon je het niet noemen.
Recht omhoog.
Het hotel in Massat had voor uitbundig veel eten gezorgd. Dat was niet weg te werken. De extra koolhydraten waren wel nodig voor de dag die ons stond te wachten. Maar dan wisten we toen nog niet. Als éérste en tegelijk grootste hobbel van deze dag de Col de Peguere (1389 mtr). Recht omhoog naar de hemel, 14 tot 18 %. In combinatie met de stromende regen en kou een aanslag op je gestel. Achteraf denk je, het viel nog wel mee, maar dat ik de koffie met trillende handen naar binnen werkte vergeet ik niet. De rest van de dag was prima. Het zonnetje kwam door en de temperatuur steeg. Wat cols van weinig betekenis die je even terloops neemt en dan vliegt zo’n dag voorbij.
O ja, even over het eten. Bij aanvang van de tocht dacht ik af te vallen. Nee dus, het eten was werkelijk klasse. Het kon niet beter. In het hotel te Brusque meende de bazin met een stelletje uitgehongerde wolven van doen te hebben. Zij liet ons pas rond de klok van tienen pas gaan, nadat iedereen zich een kramp had gegeten.
Mont Ventoux.
Op zeven augustus was het de dag voor mij. De Mont Ventoux, veel over gehoord maar nooit beklommen. Wij vertrokken vanuit Uzes, een mooie Frans vlakke aanloop van 79 km tot Bedion. Het leek wel een bedevaartsoord. Over de Mont Ventoux is veel geschreven en nog meer gesproken. Voor het vertrek uit Bedion hebben mijn twee fietsmaten Ron, Henk en ik nog wat gedronken en de heksenketel aangekeken. Wat een fietsvolk. Aan de benen te zien goed getrainde en gesoigneerde pedaleurs, maar ook types waarvan je dacht hoe moeten die ooit boven komen. Overgewicht, een fiets uit het jaar nul, sportbroekje, gympjes, katoenen
t-shirt, geen helm en twee kleine bidonnetjes water. Als dat maar goed komt. Je kreeg bijna de aandrang om ze aan te spreken en te verzoeken alsjeblieft niet naar boven te gaan en nog erger naar beneden. Maar ja, waarom zou je de schoolmeester uithangen. Als ze bijkomen in het ziekenhuis met een hartverzakking of een kapotte kop, hebben ze nog tijd genoeg om zich af te vragen waarom ze aan zo’n tot mislukken gedoemde missie zijn begonnen.
Na wat consumpties, het vullen van de bidons en het legen van de blaas was het tijd om in actie te komen. Voor ons was het motto, niet forceren want er volgen er op deze dag nog zeven cols en in de daarop volgende dagen nog vierendertig.
Het geluk was niet met ons. Enkele dagen daarvoor was de mistral begonnen en de wind blies behoorlijk tijdens de klim. Het leek Friesland wel maar dan anders. Op een klein verzetje begonnen. Als het lekker gaat kan je altijd bij schakelen. Omgekeerd kan ook, maar dat doet verrekte zeer. De hartslag tijdens de klim rond de 125 gehouden. Voor mijn leeftijd ruim onder het verzuringspunt. De éérste kilometers, had ik uit de beschrijvingen van de klim gelezen waren gemakkelijk en dat werd bevestigd. Wel zag ik toen al fietsers met dikke rode koppen langs de kant van de weg zitten. Wat moet dat worden als er serieus geklommen moet worden.
In het bos, waarover ik de wildste verhalen had gelezen, ging het lekker. Door de vele fietsers in de klim is het lekker trappen. Altijd wel iemand voor je waar je je op kan richten en die je natuurlijk het liefst in haalt. Telkens als wij iemand voorbij reden was er een korte groet want wij waren wel nieuwsgierig waar al die ploeteraars vandaan kwamen. Véél, heel veel uit België, en een handvol Nederlanders. De Fransen waren duidelijk in de minderheid.
Gemakkelijker dan verwacht bereikten wij het chalet. Vandaar begon voor mij het mooiste gedeelte van de klim. Het deed mij denken aan de Col de la Bonette die in de 18e etappe was opgenomen. Kaal, guur door de wind en onweerstaanbaar. Maar wel te verslaan. Na 1 uur en 55 min. was de top bereikt zonder kapot te gaan. Daar moet wel een minuut of tien vanaf kunnen als alles op alles wordt gezet.
Na de gebruikelijke plichtplegingen, zoals het laten stempelen van het honderd cols boekje, de afdaling. Een om te zoenen. Beter kan niet. Geen extreem scherpe bochten, zodat je de fiets vol kunt laten lopen. Mijn gewicht 63 kilo, is in de klim een voordeel, in de afdaling een belemmering. Met moeite heb ik met een snelheid van 86,5 km een persoonlijk kunnen vestigen. Hard genoeg natuurlijk, maar als de 90 binnen het verschiet ligt dan wil je dat ook halen.
Aan het eind van de afdaling nog wat gedronken en gegeten, want er moest nog 71 km gefietst worden, met daarin onder andere de Col de Macuegne (1068 mtr) en de Col de l’Homme Mort (1212 mtr). Tijdens deze pauze hebben wij onze ervaringen de revue laten passeren. Wij kwamen tot de conclusie dat het een pittige klim is, maar ook niet meer dan dat.
Na 190 km arriveerden wij in Aurel en overnachten in hotel Le Relais du Mont Ventoux waar een Nederlands sprekende Française de scepter zwaaide. Een aanrader als je daar in de buurt bent. Goed eten en geen taalproblemen.
Verkeerd rijden
Van de Mont Ventoux naar de Franse Alpen moest er het een en ander overbrugd worden. De côte dit de côte dat, een col zus een col zo. Om die allemaal op te noemen heb ik wel een A-4tje nodig. Om kort te gaan het was een continu klimmen en dalen. Wat niet onvermeld mag blijven is dat wij de George du Verdon passeerden,. Na twee extra cols en 50 km teveel op de teller omdat wij verkeerd reden, arriveerden wij na een schitterende rit door de Gorge du Cains in Beuil. Heb ik tot nu toe alleen maar over voortreffelijke hotels met dito maaltijden gehad? Deze ‘ballentent’ sloeg alles. Jammer voor de organisatie die ongelooflijk veel tijd heeft gestoken in het uitzoeken van etappeplaatsen en hotels dat er één zo’n tent tussen zit. Gerrit moest na een dag fietsen vol aan de bak om nog van alles te regelen. Hotel Millou staat van af nu op de zwarte lijst.
De Alpen.
De achttiende etappe was er weer een om in te lijsten. Beginnend met de Col de Cuoillole (1678 mtr), de Cote de St. Maur (1206 mtr) ging het op naar de Col de La Bonette (2715 mtr) om als toetje de Col de Vars (2111 mtr) mee te pakken. De Bonette was net sneeuwvrij, zodat wij gelukkig het hart dat de vriendin van Peter op de weg had gespoten konden zien. Zij was kort daarvoor de col opgefietst met Cycle Tours. Gelukkig bedroeg het aantal kilometers maar 144. In Guillestre logeerden wij in een hotel waarvan de eigenaresse door een motortje leek te zijn aangedreven. In een razend tempo schoot zij door het restaurant, telkens de indruk wekkend dat zij voorover zou donderen. De volgende ochtend bij het ontbijt ging zij in dezelfde versnelling door.
Na het ontbijt stond de zoveelste koninginnenrit op het programma. Etappe negentien. Ga maar na, te beginnen met de Col de I’zoard (2360 mtr) daarna de Col du Lauteret (2058 mtr), Col du Galibier (2646 mtr), Col du Telegraphe, van deze kant een makkie, en tot slot de Col de Rossanges (1490 mtr). Als je dan in Lanslebourg aankomt weet je dat je niet hebt stilgezeten.
Regen en sneew.
In Lansebourg voelden wij aan ons water dat het weer zou omslaan. De volgende ochtend was het nat, zeer nat. Met de Col de Madeleine, een andere dan de iets noordelijke gelegen col (1745 mtr), de Col de l’Íseran (2770 mtr), Comet de Roselend (1968 mtr) en de Col des Saisies (1650 mtr) op het programma beloofde het een barre tocht te worden. En dat klopte. De Col de l’Iseran, zag niet alleen wit, de laatste honderden meters van de klim waren wit. In het begin van de klim was ik behoorlijk achter geraakt . Met natte handen handschoenen aantrekken kost veel tijd, maar met de morele steun van Gerrit, die mij ergens onderweg opwachtte, kwam het allemaal goed. Op de top gingen motorrijders zonder duopassagier in de afdaling. Kun je nagaan hoe lastig het voor ons was op 23 mm draadbandjes.
De afdaling van de de Iseran tot het 50 km verder gelegen Bourg-St. Maurice is onder normale omstandigheden perfect. Nu was het in de remmen knijpen en goed fris om de neus. Af en toe een stop om op temperatuur te komen was noodzakelijk. In Bourg-St.Maurice begon de klim van de Comet de Roselend en dat gaf warmte in het lijf. Na deze enerverende dag arriveerden wij op de Col de Saisies. Daar logeerden wij op de top in een prachtige drie sterren tent. De spulletjes konden daar goed drogen, het eten was prima, werkelijk fantastisch. Dat was het de volgende dag ook, maar met het weer ging het minder goed. Het zeek opnieuw van de regen. Om de kou en regen een beetje de baas te blijven heb ik een plastic vuilniszak uit het hotel op de juiste plaatsen van een gat voorzien over alles heen getrokken en vort met de geit.
Extra kilometers.
Voor deze dag stonden er weer vijf cols en één côte op het programma, waarvan de Aravis (1468 mtr), de col de la Croix Fry (164 mtr) en de Grand Colombier (1501 mtr) straffe klimmen zijn.
Tot Annecy verliep alles prima, Het regende telkens, maar koud was het niet. In het centrum raakte ik mijn maat Ron kwijt door zelf een extra rotonde te nemen terwijl hij doorfietste. Vanaf toen ging het fout. Annecy ben ik uitgekomen, maar de Col du Grand Colombier vinden was moeilijker. In het dorp Culoz moest ik rechtsaf. Normaal is een richtingaanwijzer zo geplaatst dat je er tegen aan kijkt. Dat was hier niet het geval. Alleen met ogen in je rug lukte dat. Omdat ik bij het uitrijden van Culoz het gevoel had niet goed te zitten, heb ik een fietsende Fransman aangehouden en hem gevraagd hoe de Colombier te bedwingen was. Hij wees ‘Immer Grade aus’. Zag ik er uit als een Duitser?
Na vijftien kilometer in de stromende regen te hebben gefietst, kreeg ik het onbehagelijke gevoel dat ik verkeerd zat. Een door mij aangehouden automobilist bevestigde dat. Hij wees mij de tegenovergestelde kant aan en er zat niets anders op om terug te gaan naar Coluz, weer vijftien kilometer extra. Terug in Coluz zag ik het bordje wel. Eerst bij de bakker wat koeken en gebak naar binnen gewerkt en zonder mij al te druk te maken naar boven. Na het stempeltje gehaald te hebben in een auberge trok het helemaal dicht. Een zicht van tien meter bleef over. De afdaling was daardoor geen pretje, de mist en de vele puntige stenen op het wegdek die door de hevige regen waren losgekomen, maakten het er niet gemakkelijker op. Dat ik pas om halftien in het donker bij het hotel arriveerde is maar bijzaak. Gerrit en Koos kwamen mij al tegemoet. Zij hadden al geprobeerd om mij te bereiken, maar mijn mobieltje heb ik nooit bij mij als het nodig is. Nog vier etappes te gaan, waarin dertien cols en elf côtes waren opgenomen en het einddoel was bereikt.
Tijdrit, mist en nog eens mist.
De drieëntwintigste etappe voerde ons naar de top van de Ballon d’Alsace (1148 mtr), in mijn herinnering een behoorlijke klim, maar in de praktijk was het een makkie. De voorsten van onze groep raakten tijdens de klim verzeild in een tijdrit voor amateurs en toeristen en reden tussen neus en lippen een aantal deelnemers aan gort. De man aan de finish met microfoon was even sprakeloos. Hij wist niet hoe hij het had, deze mannen staan toch niet op de deelnemerslijst dacht hij vertwijfeld. Waar is het kaderplaatje? Jo heeft hem uit de droom geholpen en sindsdien weet deze man dat er een toerclub met de fraaie naam Le Champion bestaat en een honderd cols tocht. Dat zal hij vast thuis aan zijn vrouw verteld hebben, die het op haar beurt weer verder vertelt. Volgend jaar kent iedereen ons in Frankrijk. Zijn wij verplicht het dunnetjes over te doen. Na de Ballon d’Alsac de volgende dag nog een serieuze klim, de Grand Ballon (1345 mtr). Van deze berg hebben wij weinig gezien. Mist en nog eens mist. Peter heeft het gelukkig vastgelegd want anders denken jullie, die Wim kan mij nog meer wijsmaken.
Zwaar?
In de laatste fietsdagen zaten heel veel côtes en ongenoemde klimmetjes verborgen. Teveel om met twee vingers in de neus de tocht af te maken. Moet ook niet, het heet niet voor niets de ‘Zwaarste tocht ter wereld”. Of die vlag de lading dekt weet ik niet. Als een bijna AOW ‘r zonder echte problemen de tocht in dit tijdsbestek kan doen, dan denk ik dat de tocht wel voor meer mensen is weggelegd. Het is zwaar, ik heb soms aardig afgezien, maar met een hele goede voorbereiding, waarin het duurvermogen een grote rol speelt, is het voor de doordouwers onder ons geen onmogelijke opgave. Zelf heb ik ruim achtduizend kilometer getraind voor deze tocht. Op Limburgs Mooiste en een ritje op de Veluwe na allemaal afgelegd in het ‘bergachtige’ Friesland. Eenmaal terug in deze provincie meende ik de stenen uit de straat te kunnen rijden. Dat viel zwaar tegen. De spieren verkeerden nog in de klimstand en dat combineert slecht met wind en oneindige Friesche steppen.
Tot slot wat cijfers.
Gereden afstand: 4200 km.
Gemiddeld aantal km per dag: 168.
Langste etappe: 269.
Kortste etappe: 105.
Aantal fietsuren: plus minus 200.
Hoogste snelheid: 86,5 km per uur (Mont Ventoux).
Gem. snelheid: plus minus 22 km p.u.
Aantal cols: 105 plus 2 extra door verkeerd rijden.
Aantal côtes: 69.
Maximum hoogteverschil: 4655 mtr (2x in de Pyreneeën).
Minimum hoogteverschil : 1450 meter.
Gemiddeld hoogteverschil: 2902 meter.
Totaal hoogteverschil: 72250 meter.
Wim van Brink