Tweeëntwintig - Negen bananen

door langarika op donderdag 4 december 2008

Maputo, Mozambique

mozambique maputo pemba ilha de ibo

 

´Zij zijn dronken,´ wijst de meneer naar de groep naast ons, ´niets van aantrekken.´

Het is 3:45 in de donkere ochtend bij de chapahalte in Pemba, de meest noordelijke Mozambicaanse stad. De dikke drieduizend kilometer die Pemba van Maputo verwijderen heb ik gisteren met een vliegtuig overbrugd. En beginnend bij deze vroege ochtend ga ik de drieduizend kilometer terug afleggen per chapa. Helemaal terug tot Maputo. Maar voordat ik naar beneden afzak, wil ik nog even meer richting noorden. Naar het Ibo Eiland. Nog ongeveer honderd km omhoog en dan op een zeilbootje.

Meestal ga ik bij de vrouwen staan als het donker is. Maar in dit geval voelde het niet goed om bij de vrouwen naast de dronken mannen te gaan staan. Nu begrijp ik waarom.

´Ze zijn vrouwen van het leven,´ zegt de meneer naast mij. Hij draagt een aktetas. Dat contrasteert met zijn voetbal sportjas en zijn rode baseball petje.

Er verschijnt een grote vrachtwagen. De achterkant is helemaal open. Er springt een jongen uit die schreeuwt ´Quissanga, Quissanga´, de naam van het dorpje waar ik heen moet om de boot naar de overkant te nemen.

De meneer naast mij nodigt me uit om in de vrachtwagen te springen. Even aarzel ik. Het beeld dat ik nog in mijn hoofd heb van een chapa is dat van een minibusje. Geen enorme vrachtwagen zoals deze met op de zijkanten Chinese letters geschreven.

´Is dit echt een chapa?'

De man knikt.

Er zitten nog twee passagiers in de achterbak naast de jongen die net riep. Verder grote ijzeren dozen en gele vatten vol benzine met een rood deksel.

´Het zal wel. Het moet wel,´ denk ik terwijl ik omhoog klim in de achterbak.

Een vrouw tot aan haar oren in een capulana gewikkeld nodigt me uit om naast haar te komen zitten op een berg zakken.

Alle drie passagiers kijken nu naar de stad Pemba die achterblijft in de donkere nacht. Zodra we buiten de stad zijn, verdwijnt de witte lijn die de weg in links en rechts scheidt. Mijn rugzak ligt op de berg dozen. Daarop zit de jongen die net de bestemming van deze vrachtwagen schreeuwde, de conducteur.

´Maniokmeel,´ zegt de meneer van de aktetas wijzend naar de zakken waarop we zitten.

Ik glimlach. Zo, met zijn aktetas en zijn uitleg lijkt hij mij een leraar. Een leraar in een vrachtwagen.

In de open bak is de wind heel sterk. Ik trek de capuchon van mijn trainingsvest over mijn hoofd. In de lucht zijn er veel sterren. De vrouw naast mij kruist haar armen stevig over haar lichaam in de capulana. ´Koud,´ zegt ze in het Portugees. Het Changana dat ik in Maputo heb geleerd, kan ik hier niet gebruiken. Ze is Macua, legt ze mij uit. Daarom spreekt ze de Macuataal. Als ze spreekt, laat haar sjaal een beetje meer van haar gezicht zien. Ze heeft een piercing in haar neus en mooie oorbellen. Zal het waar zijn wat de schrijfster Paulina Chiziane in haar boek Niketche beweerde? Dat de Macua vrouwen ijdeler zijn dan de vrouwen in het zuiden? Dat ze zich mooier maken? Zij is onderweg naar een piepklein dorpje dichtbij Mati. Een nichtje van haar is overleden. De begrafenis is morgen.

De jonge conducteur kijkt naar ons. Met zijn rechterhand houdt hij zijn linker sandaal tegen een gat in een van de gele benzinevatten.

We stoppen. Ik kijk vragend naar de leraar met de aktetas.

´Politiecontrole,´ legt hij me uit, ´altijd bij de stadsgrenzen.´

De politieman wijst met zijn lantaarn in onze gezichten. Hij vraagt naar het identiteitsbewijs van de leraar. Nadat hij het heeft gezien, loopt hij naar de cabine van de vrachtwagen voor de identiteitsbewijzen van de mensen die daar zitten. Het volume van de stemmen stijgt. Een van de passagiers stapt uit. De motor van de vrachtwagen start. We gaan verder zonder die passagier. Ik kijk vragend naar de leraar.

´Zijn identiteitsbewijs niet bij zich,´ zegt hij, ´hij moest betalen, maar had geen geld.´

´Het is vrijdag,´ voegt de Macuavrouw eraan toe, ´de politiemannen moeten geld hebben voor het bier van vanavond.´

Na de grenspost verdwijnt ineens de geasfalteerde weg. De jonge conducteur die op mijn rugzak zit, wiebelt door de kuilen in de weg. Nog steviger probeert hij zijn sandaal tegen het gat in het gele vat te drukken. De benzine daarbinnen klotst heen en weer.

Het donkerblauwe van de lucht krijgt een oranje lijn aan de onderkant. Een man stapt in. Hij draagt een kleine tas en een splinternieuwe oranje voetbal. Hij komt naast mij zitten. Op de maniokmeelzak aan mijn rechterkant. Naarmate het lucht lichter wordt, kan ik de littekens in zijn gezicht beter zien. We gaan steeds langzamer, de kuilen in de roodaarden weg zijn steeds groter. Ik voel minder wind.

Langzaam wordt de oranje lijn onder de donkerblauwe lucht breder. Hij vormt het achterdoek voor de verschillende vormen van de bomen die langzaam getekend verschijnen. Hun silhouetten gehoorzamen geen bepaalde volgorde. Ze verspreiden zich aan beide kanten van de weg willekeurig in al hun weelderigheid. Gestaag krijgen ze de kleuren van de bladeren, de rimpels van de stammen. De twee dichtbegroeide kanten van de weg schuiven langs mij als twee filmbanden op een langzame projector. Nu verplaats ik me op een natuurlijk ritme, op het ritme van de natuur. Ineens voelt de vlucht van gisteren, die drieduizend kilometer in een paar uurtjes, als een agressieve inbreuk in de tunnel van de tijd. Als een arrogante uitdaging tegen de lucht. Je betaalt, je wordt onmiddellijk daarheen verplaatst waar je wilt zijn. Geen tijd om langzaam weerszijden van de weg langs je te laten gaan, wel geld om over alle bossen van de wereld heen te vliegen.

Nu zie ik duidelijk de ware kleur van de grond. Oranje, net als de lijn in de lucht die nu de hele horizon bevat. Ik doe mijn jas uit, voel het licht in mijn hals dat mij amper opwarmt. Mijn jas is vochtig geworden. Daarom voelt hij ook zwaar. Zoals de lucht die mij omringt: vochtig en zwaar. Ik zie kleine huizen van vlechtwerk van riet voorbij komen. Soms zijn ze van dezelfde oranje aarde als de weg waarop de grote wielen van deze vrachtwagen voorthobbelen.

Ik gluur door de open deuren. Kinderen ontwaken in hun bedden van hout en stro. Buiten de hutten persen hun moeders maniok in de grote houten vazen met een lange stok die ze met beide handen strak houden. In het midden van een cirkel hutten verzamelen vrouwen zich rond een plateau. Hun gespierde armen pompen water in een geel vat, net zo een als het benzinevat in de vrachtwagen. Daarna de al zo vertrouwde buiging door hun knieën om het vat op hun hoofd te zetten. Een man knipt het haar van zijn klant onder een boom. Onder een andere boom naait een bejaarde een kleurrijke capulana op zijn naaimachine. Een geel meetlint versiert zijn schouders. Af en toe mannen op fietsen die grote zakken transporteren. Ik heb nog niet veel uren in het noorden doorgebracht, maar ik zie meer mannen langs de weg aan het werk dan in het zuiden. Het noorden is matrilineaal in tegenstelling tot het patrilineale zuiden. Zal het iets daarmee te maken hebben?

De zon begint al behoorlijk op te warmen. Ik trek mijn witte t-shirt met lange mouwen uit. Ook ruil ik mijn sportschoenen voor sandalen.

´Warm,´ zeg ik.

De meneer met de littekens en de oranje voetbal merkt gelijk het Spaanse accent in mijn Portugees op.

´Kom je uit Cuba?´ vraagt hij mij in een zacht Cubaans-Spaans. De vrouw en de leraar kijken nieuwsgierig naar hem.

Ik schud nee met mijn hoofd. ´En u?´

Hij is een Mozambicaan die werd getraind in de Isla de la Juventud van Cuba. Als militair voor de oorlog. Zijn ogen zijn een beetje geel. Alsof hij veel rookt.

´Mooie tijden. Ik had zo in Cuba kunnen blijven,´ zijn ogen lichten op.

Maar hij moest terug komen om oorlog te voeren. Nu wil hij niets van de wereld weten. Hij woont op een piepklein eiland waar hij vist en voetbal speelt. Aan de oevers van Quissanga ligt zijn bootje geparkeerd.

Drie mannen met een lang kapmes in hun hand beginnen plotseling achter onze vrachtwagen aan te rennen. Hun kapmessen glinsteren in de zon en ineens moet ik ook aan oorlog denken. Het lukt hun om aan de achterkant van de vrachtwagen te gaan hangen. De drie bovenlijven met de kapmessen kijken naar ons als door een vensterraam.

´Het zijn bamboekappers,´ zegt de leraar die mijn angst heeft aangevoeld. Daarna zegt hij iets tegen hen. Ze glimlachen vreedzaam naar mij met de kapmessen in hun handen. Snel springen ze van de achterkant van de vrachtwagen. Ze verdwijnen in het groen van het volgende bos.

In een van de dorpjes draagt een jonge man een spierwitte dokterjas. Dat witte tussen de strohutten en de oranje aarde trekt alle aandacht als een volle maan in een donkere nacht.

´Dokter?´ vraag ik aan mijn medepassagiers.

´Leraar,´ zegt mijn leraar. Met een vinger wijst hij naar zijn eigen borst.

De leraar in de witte jas verdwijnt, gevolgd door alle kinderen, in een ronde hut zonder muren. Er is een schoolbord. Geen tafels of stoelen.

Ik had begrepen dat het vanuit Pemba naar Quissanga honderd km was. Maar het moet al tegen de middag zijn. Niets heb ik meegenomen om te eten, ik heb niet ontbeten en mijn water is allang op.

´We zijn er bijna,´ legt mijn leraar uit.

We stoppen bij een verzameling hutten. Ietsjes groter dan die we tot nu toe hebben gezien. Er is een klein kraampje met tomaatjes, bananen en maniokwortels. Mijn buurvrouw vraagt of ik mee wil gaan plassen. We verdwijnen tussen de bomen achter de hutten. Als ik even naast de weg loop, schreeuwt ze: ´mijn, mijn´. Dan plassen we aan de kant van het weggetje zodat we niet boven een mijn ontploffen. Ik zie dat ze een korte broek draagt onder de capulana. De volgende reis moet ik ook mijn capulana over mijn broek aandoen. Als je moet plassen, kun je dan je kont bedekken. Veel praktischer als je midden op de publieke weg moet plassen.

De cabine van de vrachtwagen is helemaal omhoog gekanteld als we terug komen. Ze zijn aan het sleutelen daaronder. Intussen koop ik bananen. Negen bananen voor vijf meticais. De meneer met het Cubaanse accent houdt de oranje voetbal vast met zijn linkerarm. Met de andere een bos maniokwortels. Hij biedt me eentje aan. Hij is lang, ruig en bruin.

´Dit is ons Afrikaanse brood,´ zegt mijn leraar.

De Cubaan legt de splinternieuwe oranje voetbal aan zijn voeten en laat me zien hoe ik het moet eten. De kinderen van het dorpje pakken zijn bal en beginnen te spelen. Met mijn tanden pel ik het begin van de schil. Daarna met mijn handen. Een spierwitte massa komt te voorschijn. Het smaakt tussen bitter en zout. Ik spuug. De kinderen rond mij heen beginnen te lachen. Er zijn er zelfs een paar die van mijn gezicht schrikken.

Als de zon op de hoogste punt staat, vertrekken we weer. Er zijn wat meer passagiers. En een tiental bundels lange bamboestokken boven ons. Ertussenin proberen de vrouwen een plek te zoeken voor zichzelf en hun baby op de rug en hun ronde lading gewikkeld in een capulana. Ik zie alleen nog een stukje van mijn rugzak. Misschien zit die nu onder de benzine van het lekkende vat. Het is warm tussen alle lichamen. Ik kan mijn zweet gemengd met stof ruiken.

Mijn plasmaatje beveelt de conducteur om te stoppen en neemt afscheid van mij. Als ze uit de wagen springt, zie ik dat ze haar mobiel tussen haar borsten bewaart. Had ik die verstopplaats eerder geweten! Te laat. Nu heb ik geen mobiel meer. Ik pak mijn portemonnee uit mijn broekzak en steek ik hem in mijn beha tussen mijn borsten. Ik merk het gelach van de vrouwen. Ze zeggen iets dat ik niet begrijp, knikken vol medeplichtigheid en laten mij wat geldbriefjes uit hun beha zien. Intussen verdwijnt mijn plasmatje in de verte met een ronde bult op haar hoofd en twee zakken aan beide handen.

In het volgende dorpje stapt mijn leraar uit. Hij schrijft op mijn dagboek de naam van een vrouw bij wie ik kan logeren op het Ibo Eiland.

´Iedereen kent haar, Doña Laurinda.´

Dan kijkt hij naar de Cubaan.

´Hij gaat tot aan Quissanga. Hij zal je wijzen hoe je verder moet.'

De Cubaan knikt.

Er komen meer klein dorpjes, maar ik zoek met mijn ogen alleen naar water. Er ligt ergens in de vrachtwagen een fles, maar de kleur van het water is wat geel. Ik merk al een lichte hoofdpijn. In de kleine standjes langs de weg staan ook alleen maar van die flessen met vies water. Ik heb mijn negen bananen al op.

Bij de oevers van Quissanga zijn er veel boten. Maar geen van de boten gaat naar het Ibo Eiland. De Cubaan regelt dat ik een lift krijg in een andere vrachtwagen naar Tandanhangue.

´Nog tien kilometer,´ zegt hij, ´dan ben je er.´

Hij zwaait gedag vanuit zijn boot. De oranje kleur van de voetbal blijft lang zichtbaar in de verte op zee.

Nu zit ik in de cabine tussen de chauffeur en een bestuurder van dit district. Op het topje van een heuvel moeten we bij het stadhuis stoppen omdat hij wat papieren moet tekenen. De papieren worden snel naar de vrachtwagen gebracht. Hij tekent die op de bank van de vrachtwagen. Mijn zweet begint plakkerig te worden. Mijn hoofdpijn is nu al behoorlijk sterk. Ik heb zelfs geen zin meer om weerskanten van de weg te observeren. De chauffeur begint te zingen. Dat maakt het beter. Hij draagt een moslim hoofddeksel. Ik doe even mijn ogen dicht.

Tandanhangue is niet meer dan een stevige baobab in het midden van een zandplein en een paar hutjes. In de verte zie ik de zee. Ik voel me misselijk van de hoofdpijn. Rond de baobab zitten mensen. Ik ga naast een jonge vrouw in het zand zitten en doe mijn sandalen uit.

´We moeten wachten totdat de zee stijgt. Ergens voor zonsondergang.´

Dus, vanaf zonsopgang tot zonsondergang om honderd km af te leggen. Gewend aan de snelheid waarmee een vliegtuig de tijd en de ruimte verkracht, is mijn lichaam nu in de war. Het is niet gewend om zich langzaam aan te passen aan een nieuwe omgeving, een nieuwe lucht, een nieuwe geur. Nee, abrupte verplaatsingen is het gewend. Daarom klaagt het nu.

De vrouw gaat op haar tas in het zand liggen. Ik doe hetzelfde naast haar. Mijn witte kleren zijn vies en vol stof. Mijn voeten vol zand. Mijn haar ook. Een beetje meer, wat maakt het uit. De jonge vrouw zegt dat we moeten gaan slapen. We zullen zeker wakker worden gemaakt als de boot naar Ibo begin in te laden.

Ik doe mijn ogen dicht. Mijn hoofd bonst zo erg dat ik het zou willen kappen met een van de bamboe kapmessen van vanochtend. Ik hoop dat ik in slaap val. Ik denk aan alle gevaren waarvoor ik in Afrika alert moest zijn, alle gevaren die in de gids werden beschreven en het kan me op dit moment, met deze pijn, niets meer schelen. Het maakt me niet meer uit of ik word bestolen, vermoord, verkracht zonder condoom, gebeten door een cobra, plat gestampt door een olifant, lek gestoken door muggen. Ik zou zelfs graag van dat vieze gele water willen drinken als ik iemand met zo´n flesje voorbij zag lopen.

De administrateur maakt ons wakker. Ik zoek mijn hoofdpijn, maar ik voel hem zo een, twee, drie niet. Misschien is hij weg. Rond de baobab staan inmiddels tientallen passagiers klaar met hun vracht op het hoofd. We lopen op de mangroves tot aan de zeilboot. Ik laat me erin vallen op de zakken. Met mijn armen leun ik over de houten rand van de boot. Mijn hand raakt het kristalachtige water. De wind neemt ons mee tot aan de diepe zee. Dan zie ik het Ibo Eiland liggen. Het beloofde land. De zon bereidt zijn afscheid voor. De vrouwen krijgen een glanzende huid met een gouden randje. Er is stilte. Een meditatieve stilte. De kleine kinderen in hun armen vallen in slaap gewiegd door de kleine golfjes van de zee. De mannen zittend op de houten rand van de boot beginnen silhouetten te worden. Eentje begint zijn gebed. Zijn murmelen samen met de het geluid van de boot op de golven van het water vormen de achtergrondmuziek van deze rustige film waarin ik me nu bevind.

Ineens stormt het geluid van een vliegtuig binnen. Boven ons breekt hij de lucht in twee. Ik kijk omhoog.

De administrateur zegt tegen mij: ´Weet je? Ons eiland is klein, maar we hebben wel een luchthaven voor de toeristen die vanuit Pemba vliegen.´

www.kristinagoikoetxealangarika.blogspot.com

Reacties

Er zijn nog geen reacties op deze bijdrage.

Schrijf een reactie

plaats reactie

Je bent bij het reisdagboek van:

icon langarika
langarika heeft 23 artikelen geschreven.
 
Naar de voorpagina van dit reisverslag:
langarika.volkskrantreizen.nl
 
Abonneer op nieuwe verhalen via e-mail of rss of stuur langarika een bericht.
 
Kristina Goikoetxea Langarika Schrijvers op reis

Advertenties

Zomer in Noorwegen: Doen!


Noorwegen voor levensgenieters: ontdek het, beleef het! Meer info.

Best gelezen artikelen

BN'ers op reis: Waar zit je?

Tips voor op reis